Mountainbiken in de Eifel

Het is augustus en door omstandigheden wonen we momenteel een aantal maanden aan de Zeeuwse kust. Er zijn ergere dingen. Maar ondanks dat we nu in Zeeland wonen, sprak
Aimée laatst uit dat ze behoefte voelde aan een korte vakantie, van
laten we zeggen een week.

‘Maar we wonen nu
op een plek, waar iedereen heen wil met zomervakantie!’ riep ik uit. ‘Ik
bedoel, ben je weleens bij de Albert Heijn in het dorp geweest de laatste tijd? Duits is momenteel de voertaal daar!’

Aimée herhaalde dat ze toch echt even weg
wilde. Ik sputterde weer wat tegen. Zo ging het nog een tijdje door. De
slotconclusie luidde vanzelfsprekend, dat we op vakantie zouden gaan.

Ik herinnerde me dat mijn zusje de Eifel in Duitsland
weleens had aanbevolen. Om te mountainbiken. Daarom speurde ik wat rond, op
zoek naar informatie over dit gebied. Inderdaad bleek de Eifel een gebied met
veel uitgezette mountainbikeroutes. Op de foto’s zag het er allemaal heel
aardig uit. Een site over mountainbiken in de Eifel, raadde als uitvalsbasis
een betaalbaar hotel in Bad Münstereifel aan, een plaatsje dat precies in het
hart van het gebied lag.

Het hotel deed me een aardige offerte, inclusief ‘Hallenbad-benutzing’
(‘Gebruik binnenshuis,’ luidde de merkwaardige vertaling die google maakte), en
‘onbeperkt gebruik van de haardroger,’ ook weer volgens google. Ik vroeg me af
of er ook hotels zouden bestaan waar het gebruik van de haardroger gelimiteerd was,
waar er ineens een man uit een nis zou stappen en je zou toeblaffen: ‘Nu is het wel genoeg!’ als je te lang je haren stond te
föhnen, maar ik kon me er zo gauw niet één herinneren.

Het hotel pronkte verder
met het feit dat het beschikte over een zwembad, sauna en solarium. Op één of
andere manier leek een solarium me niet meer iets om in offertes de nadruk op
te leggen. Het deed me aan nieuwigheidjes uit de tijd van m’n oma denken. Enfin, ik boekte het hotel, en zo vertrokken we, zonder
eigenlijk meer te weten dan dat de Eifel ‘leuk’ was om te mountainbiken, èn met
een boeking op zak voor een enigszins onduidelijk ‘kuurhotel’. En dat terwijl
Duitsland voor mij altijd een beetje een gek land blijft. Ik bedoel, twee keer
een Wereldoorlog beginnen.

We vertrokken op een zondag, met de auto, en de fietsen
achter op het fietsenrek. Met de gemengde gevoelens van een man die het Zeeuwse
verkeer in augustusweekenden kent, stapte ik in. Aimée reed. 

Toen ik een tijd later wakker schrok, doemden inmiddels de
schoorstenen van Antwerpen op. Alle plaatsnamen op de borden langs de weg klonken
inmiddels alsof ze werden uitgesproken door iemand met een sjaal in z’n mond:
Wommelgem, Grobbeldonk, Meeuwenholrompelkot, dat soort namen. We waren in
Vlaanderen. Niet veel later reden we Duitsland in, dat glooiend, groen en vol
met geel graan was. Duitsland oogde welvarender dan België, en er was maar
weinig bebouwing in de buurt van de snelweg. Wat er was aan eenzame boerderijen,
zag er mooi en goed onderhouden uit.

 

3.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Door een steeds heuvelachtiger en groener landschap, daalden
we aan het begin van de middag via een kronkelige weg door een dennenbos af
naar Bad Münstereifel. Af en toe scheen de zon fel, tussen de buien door. Bad
Münstereifel leek me zo op het eerste gezicht een schilderachtig dorpje, met
veel witte, vrijstaande huizen met loodgrijze leidaken, een prachtig kasteel en
een paar indrukwekkende kerktorens. Ons hotel bleek een statig vakwerkpand, dat tegen een dichtbeboste heuvel was aangebouwd.

Een steil pad leidde naar de entree van het hotel, waar een
tweetal rokende oude dames in een zitje ons glimlachend toeknikten en begroetten.
Binnen in de lobby werd mijn achterdocht over de juistheid van de hotelkeuze
bevestigd: er hing een penetrante bloemkoollucht. Niet direct een pre voor een
hotel, zou ik zo zeggen. Het leek een beetje of we een bejaardenhuis binnen
stapten.

Na het inchecken laadden we snel onze koffers uit. Tijdens
het halen van de laatste tas – Aimée was al op de kamer – stopte ik even bij de
afspuitinstallatie voor fietsen, die vlakbij de ingang van het hotel lag. De bediende
had ons gewezen op deze faciliteit om fietsen schoon te maken, en nieuwsgierig
geworden, speelde ik wat met de kranen. Kennelijk zette ik hierbij per ongeluk
een enorme sproei-installatie in werking. Overal, in de tuin en op de terrassen
rondom het hotel, kwamen allerlei sproeiers met veel gesputter tot leven. Ze
spuwden sissend fonteinen met water omhoog, of begonnen over de grond te
kronkelen en door kleine sproeidopjes water rond te spuiten. Gehaast zette ik
alles weer uit, en spoedde me met de laatste bagage terug naar het hotel. Bij
de entree wierpen de twee oude dames me vernietigende blikken toe – ik geloof
dat één van hen in de flank geraakt was door een enthousiaste sproeier – waarna
ik een verontschuldiging mompelde en me snel terugtrok op mijn kamer. Het werd tijd
om te gaan fietsen.

Ein lockere Tour

Om het onszelf makkelijk te maken, kochten we bij de VVV
eerst de set kaarten van alle routes in het gebied. Dit waren er tien in
totaal. Voor de eerste middag kozen we ‘Tour 9’: een licht rondje (‘ein lockere
Tour!’) van 18
kilometer
en 400 hoogtemeters. Eigenlijk vond ik 400 meter klimwerk
helemaal niet zo ‘leicht’ zoals de kaart het kwalificeerde, maar goed, hier in
het heuvellandschap, was minder niet aan de orde, zag ik in de zorgwekkend lastige
stoet met routes. ‘Natur erleben, Fitness erfahren!’ juichte de
overzichtskaart, maar echt goed getraind waren we niet. En zo had ik er – naast
de nieuwsgierigheid over hoe het hotel ons zou gaan bevallen – weer een zorg
bij.

Het fietsen bleek echter heerlijk die middag: soms reden we
door een open landschap met prachtige uitzichten op de Eifel, met veel golvend
groen, weides en romantische dorpjes, verscholen in de dalen, dan weer doken we
donkere wouden in, vol dennenbomen met lange rechte stammen waar de zon schuin
doorheen viel. De natte wegen glinsterden in de zon van de felle buien die
vandaag gewoed hadden, maar het bleef de hele rit droog. Waar we mensen zagen in de dorpjes, groette men ons vriendelijk.

 

1.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe heeft u ons gevonden?

Om half zeven die avond was het tijd voor het eerste diner. Argwanend begaf
ik me samen met Aimée richting de eetzaal van het hotel, ik was de
bloemkoollucht nog niet vergeten. De eetzaal zag eruit zoals eigenlijk het hele
kuurhotel: niet verpauperd, maar wel oubollig, met een inrichting die dezelfde
leeftijd had als de clientèle, waarvan er een stuk of zes zaten te eten. In de
hoek stonden twee wandelstokken en een paar krukken. De wanden van de eetruimte
werden gesierd met donkerbruine schrootjes, op de vloer lag een Perzisch tapijt, en in de raamkozijnen stonden barokke bloempotten vol onverwoestbare
planten, zoals je overgrootmoeder ze had staan. Clivia’s, sanseveria’s en
begonia’s, dat werk. Direct naast een groot raam was een tafel voor ons
gereserveerd, met, dat moet gezegd, een prachtig panoramisch uitzicht over Bad
Münstereifel.

Naast mijn bord lag nog wat huiswerk voor bij de maaltijd:
de inschrijfkaart voor het hotel. Ik schonk twee wijnglazen lauw mineraalwater
in, en zette me aan het werk.

‘Hoe heeft u ons hotel gevonden?’ luidde vraag één. De
eerste drie mogelijkheden die geopperd werden luidden:

–    aanbevolen door een arts

        
via de Krankenkasse

        
via een bekende 

‘Hoe heeft u ons gevonden? Aanbevolen door een arts?’ vroeg ik me hardop af. 

Aimée schoot
in de lach. ‘Aanbevolen door een arts?’ zei ze ongelovig.

‘Ja. En een
andere mogelijkheid is via de Krankenkasse, whatever that may be.’

Ik pakte de
kaart en liet hem aan Aimée zien. ‘Kijk maar, hier staat het.’

Ze fronste. ‘Ik
heb werkelijk geen idee wat dat allemaal is,’ zei ze ten slotte.

‘Ik ook niet,’ zei ik, vinkte het vakje ‘Aanbevolen door een
arts’ aan, en ging verder met invullen.

Het viel me nu ineens op, dat het doodstil was in de
eetruimte, op het getik van bestek na. Ik hield even op met schrijven en keek
nog eens rond: er zaten alleen maar zwaar opgemaakte oude dames, en een enkele
mompelende heer, die antwoord gaf als hem iets gevraagd werd, wat kennelijk
zelden zo was. Uit een stereotorentje op een tafel in de hoek klonk een nogal
benepen Neil Diamond, die tegen beter weten de stemming erin probeerde te
houden met ‘Song sung blue, everybody knows one…’

‘Ik vrees dat we het zelf gezellig moeten maken,’ opperde
Aimée nadat ik de kaart had ingevuld met mijn naam, adresgegevens, en verder
met onzin.

Het menu van de dag (ik had in een vlaag van roekeloosheid
en gemakzucht halfpension geboekt) bleek een champignonsoepje te zijn, gevolgd door
een cordon bleu met frietjes en salade. Toe konden we kiezen uit ijs, koffie of
espresso. Ik moet zeggen, het smaakte allemaal voortreffelijk. Wie hier ook in
de keuken stond, koken kon hij, en dat vond ik erg geruststellend, gegeven het
feit dat ik hier nog viermaal aan zou moeten schuiven.

De eigenaresse van het hotel, een vrouw van rond de 65, kwam
in totaal drie keer een rondje maken door de zaal, waarbij ze vriendelijk
lachend aan elk tafeltje vroeg of alles goed was en of alles smaakte. Het was een
bijzonder vriendelijke en uiterst correcte vrouw, maar op de één of andere
manier leek ze ook iets van ingehouden woede uit te stralen, alsof ze na
vijftig jaar bestieren van dit kuurhotel annex bejaardenpension alles spuugzat
was, en ons allemaal het liefst met een automatisch wapen de eetzaal uit zou
blazen.

Die Powertour für Profis

Na nog een makkelijke tour, maakten we op woensdag de koninginnenrit:
een rit van 75
kilometer
, met 1400 hoogtemeters, die door de Duitse VVV
werd geafficheerd als: ‘Die Powertour für Profis’. Hoe we dat aandurfden, ik
kan het u niet vertellen. Vermoedelijk overmoed.

De Powertour begon direct met een extreem steile klim, langs
de burcht in Bad Münstereifel. Het dorpje zelf lag er sereen en stil bij in een
heerlijk ochtendzonnetje. Hier en daar hing een vleugje houtskoolgeur.

De ‘rasante Downhill’ (zoals de kaart het noemde) naar Binzenbach
die na de klim volgde, was werkelijk spectaculair. Het was een afdaling in een
bos, onder een hoek van gevoelsmatig negentig graden. Ik moest beide remmen
voortdurend vol inknijpen, en toch ging ik met een denderende vaart naar
beneden. Dat was iets wat ik nog nooit had meegemaakt. Op zeker moment leek het
iets af te vlakken, maar toen ik mijn remmen losliet, leek het wel of ik
gekatapulteerd werd.

Op de momenten dat het parcours wat makkelijker was, waren de
uitzichten over de Eifel heerlijk: we reden door golvend land, groen,
bespikkeld met welvarende dorpjes en velden vol wuivend graan. De paadjes
slingerden zich langs maïsvelden, weides met dikke, zwartbonte koeien, en
veldjes waarop karamelkleurige paarden opkeken als je er langsfietste. Een
flink deel van de dag klommen en daalden we over Waldwegen: brede bospaden door
donkere, mysterieuze dennenbossen, met rijen rechte stammen en geen geluiden.
Af en toe wervelde de geur van vers gehakt hout mijn neus in, als we langs
stapels met omgezaagde boomstammen reden.

Duitsland zag er overal welvarend uit en het was er werkelijk
fijn fietsen, maar op de laatste berg ging ik wel bijna kapot. De pijn in de
benen, het opkijken en zo’n eindeloos doorstijgende weg voor je zien, het
leidde inmiddels – en niet voor de eerste keer – tot enigszins moedeloos
afstappen en uitrusten. Zodra ik echter weer boven op de top stond te genieten
van het uitzicht, gleed alle moedeloosheid weer van me af. Bij thuiskomst
stonden er 75
kilometers
en 1600 hoogtemeters op het tellertje, dat
alles weet.

p1070015 bewerkt.jpg

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

 

De wonderkuren van Sebastian Kneipp

’s Avonds, terwijl ik onder de verbaasde blikken van het
bedienend personeel een dubbele portie friet bij mijn kippenborst naar
binnenschrokte, kreeg ik mijn ‘Kurkarte’ terug. Dit bleek een kopie van het
inschrijfformulier te zijn op een speciaal kaartje.

‘Voor als u hem nodig heeft voor de apotheek,’ zei de
eigenaresse van het hotel toen ze me de kaart overhandigde.

Toen ze weg was, staarde ik niet begrijpend naar Aimée, maar
die keek even niet-begrijpend terug. Snapte ik het nou goed, dat al die vitale
bejaarden hier hun verblijf als kuur vergoed kregen van de apotheek of Krankenkasse?
De ouden van dagen hier oogden eerlijk gezegd allemaal tamelijk levenslustig:
de dames paften er vrolijk op los, speelden overdag Mens-erger-je-niet in de
tuin, en waren, nu ze aan ons gewend waren geraakt, zelfs ronduit vriendelijk.
De mannen (minder in getal) waren over het algemeen wat timide, misschien murw
van vijftig jaar tabaksrook happen en gesnater, maar verder ook wel vriendelijk.

Ik was er inmiddels achter dat we ons bevonden in een
officieel Kneipp-kuurhotel. Ik had natuurlijk bij het boeken wel gezien dat het
een ‘Kurhotel’ was, maar ik dacht dat dat marketingprietpraat was. Maar geloofden
de mensen hier dan zo serieus in de kuren van Sebastian Kneipp (wie kent de
shampootjes niet) en zijn voor alle kwalen zegenrijke wisselbaden? Er liep hier
een oude man met één been rond op krukken, met links altijd een lege broekspijp
die aan de onderzijde een soort van dicht geniet leek. Zelfs de mensen van het
Kneipp-kuurhotel zouden er toch niet vanuit gaan, dat zijn been weer aan ging
groeien als je maar lang genoeg doorging met de wonderkuren van Kneipp? Toch
moest ik haast wel concluderen, dat men hier met de juiste verwijsbrief wellicht
jarenlang op kosten van de Duitse Krankenkasse kon leven. Dat verklaarde
natuurlijk ook de vaste zitplaatsen die we steeds hadden bij ontbijt en diner:
de overige gasten woonden hier gewoon. De Duitsers waren kennelijk nog rijker
dan ik al dacht.

Flammkuchen en de Heino cultbril

De volgende dag werden we wakker met een zonnige lucht,
zodat we een aangenaam rondje van 36 kilometer en 737 hoogtemeters fietsten. Dit
zorgde er tevens voor dat we op onze laatste dag, vrijdag, vrij zouden hebben
om het dorpje door te struinen.

Na nog een kort rondje mountainbken in de ochtend, wandelden
we die middag naar het Burcht-restaurant voor een afscheidslunch. Via een
aantal zeer lange traptreden slingerde zich vanaf straatniveau een ommuurd pad
naar de burcht. Op een grote plaat met menukaarten halverwege het traject, werd
‘Flammkuchen mit Speck und Zwiebeln’ aanbevolen, wat na een week mountainbiken
niet slecht klonk. Over wat een ‘Flammkuchen’ precies was, werd op een
toelichtend bord nogal interessant gedaan, als zou het een belangwekkende
Duitse culinaire vondst zijn, maar het zag er eerlijk gezegd gewoon uit als een
pizza. Dat gaf niks, want we lustten wel een pizza.

Helaas bleek de ‘Flammkuchen’ niet beschikbaar. We besloten
daarom dan maar een Wienerschnitzel te eten. Even later kwam een lusteloze
serveerster ons twee cola en twee schnitzels brengen. Het meisje maakte een
zwaar depressieve indruk en wist te melden dat er geen aardappels bij de
schnitzel zaten, ‘omdat die op waren.’ Heb je ooit zoiets gehoord? Was het hier
nog oorlogstijd? Goed, wat er wel op het bord lag smaakte gelukkig wel redelijk,
maar meer ook niet. Ik begreep inmiddels, waarom het hier zo leeg was.

Niet geheel verzadigd liepen we na de lunch een rondje over
de stadsmuur en toen via de JohannisStraße en de Markt naar de
feeërieke Orchheimer Straße, waar zich het mooiste vakwerkhuis van Bad
Münstereifel zou bevinden: Haus Windeck. Met zijn weelderige en kleurrijke
uitstraling, prachtige houtsnijwerk en bijzondere erkers was dit volgens de
kenners het mooiste vakwerkhuis uit het Rijnland. Ik moet toegeven dat het
nogal indrukwekkend was. Wel schandelijk was dat onderin een treurige,
Xenos-achtige winkel was gevestigd, met een aanblik die je achteruit deed wankelen
van lelijkheid.

p1070060 bewerkt.jpg

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

De echte verrassing van de middag, bewaarde Bad Münstereifel
echter voor het laatst: het café van Heino (wie is niet groot geworden met de
Duitse volkszanger?) bleek hier gevestigd. Binnen in het café zei men ons dat Heino
zelf pas aan het eind van de middag weer aanwezig zou zijn, maar we konden er
wel een aandenken aan hem kopen: een stuk Heino Hazelnußtorte
bijvoorbeeld, of Heino Sekt, Heino Kaffee, Heino Parfum, of een Heino beeldje.
Ook zijn autobiografie was te koop, voor het geval mensen daar interesse in
zouden hebben, wat me op voorhand niet zeker lijkt.

We drentelden wat rond, en toen we de enigszins opdringerige
verkoopster duidelijk maakten niet zo erg geïnteresseerd te zijn in de
uitgestalde rij Heino-produkten, kwam de klap op de vuurpijl: of we dan
misschien belangstelling hadden voor een Heino cultbril? Nu heb ik een zwak voor
kitsch, maar je hebt kitsch en kitsch, en er zijn natuurlijk wel grenzen. En dus
vertrokken we zonder Heino cultbril weer naar het hotel, waar des avonds, hoe kon het
anders op vrijdag, zalm op het menu stond. Met roomboterpiepers und Salat, zei
de hartelijke serveerster er stralend bij.

Meer dan tevreden keerden we de volgende dag huiswaarts.