De autist


Bij ons thuis is het zo
verdeeld, dat ik elke avond de maaltijd op tafel zet. Daarom ben ik bijna elke
dag in de supermarkt te vinden. Op zich is de dagelijkse gang naar zo’n winkel
best saai, maar sinds een paar maanden worden mijn bezoekjes – ja, hoe moet ik
het noemen – verlevendigd? door een op het eerste oog wat merkwaardige jongeman.
Ik schat hem op een jaar of dertig. Hij gaat altijd gekleed in een olijfgroene lange
broek die een paar maten te kort is, dat wil zeggen, ergens halverwege zijn
kuiten houdt de stof op. Verder draagt hij ongeacht het klimaat altijd dezelfde
blauwe C&A jas, en zit zijn haar altijd plat naar voren gekamd. Op zijn goedmoedige
gezicht prijkt een brilletje met ronde glazen.

Binnen in de winkel staat hij
altijd ergens naar te kijken, zijn blik strak op één punt gericht, en volkomen
bewegingsloos, alsof hij zojuist in een pilaar is veranderd. In zijn
rechterhand heeft hij altijd een grote, rode boodschappentas van de C1000 vastgeklemd,
en zo staat hij dan bijvoorbeeld bij de afdeling Oosterse potjes en pakjes,
waar hij minutenlang naar het schap staart, met een doffe, wezenloze blik. Dat
er iets niet helemaal in orde met hem is, zag ik de eerste keer al dat ik hem
ontmoette. Hij stond toen achter me in de rij bij de kassa, maar toen ik mijn
boodschappen had afgerekend, schoof hij niet door en legde ook niets op de
band, tot het vriendelijke kassameisje zei:

‘Kom maar hoor!,’ waarna hij
als een robot vier passen naar voren deed en zwijgend en met afgemeten
bewegingen zijn spullen op de band legde.

De laatste keer dat ik hem
zag, stond hij bij de ingang van de winkel aan de grond genageld, net na het
klaphekje. Hij staarde naar de rekken met broodjes, croissants en pistoletjes.
Wat ging er in hem om? Erg veel tijd om over dit interessante vraagstuk na te
denken, had ik niet. Het was tien uur in de ochtend en ik had een afspraak om
half elf. Ik passeerde de man, deed mijn boodschappen, en rekende af. Op het
moment dat ik de winkel verliet, stond hij nog steeds als versteend bij het
brood. Heel af en toe richtte hij ineens zijn arm op, en maakte dan een
beweging alsof hij naar een vlieg greep. Het is met dit tempo niet te hopen dat
hij vanmiddag een belangrijke afspraak heeft, dacht ik, en liep naar mijn auto.

De volgende dag stond ik in
de rij bij de tabakszaak, in hetzelfde winkelcentrum.

‘Hij heeft daar gisteren van
tien uur in de ochtend, tot vier uur ’s middags op precies dezelfde plek naar
het brood staan kijken,’ zei de winkeleigenaresse tegen een klant. Ik wist
direct dat het over hem ging.

‘Van tien tot vier hè?’ voegde
ze er nog eens nadrukkelijk aan toe.

‘Ja,’ knikte de klant. ‘Ik
ken die man, hij is mijn buurman. Autisme is een rare ziekte.’

Het gesprek ging verder zodat
ik hoorde wat er gisteren gebeurd was. Het was dus kennelijk een autist, en urenlang
had hij stokstijf bij het brood gestaan, begreep ik. Na twaalven was er een
groep jongens van een jaar of veertien de supermarkt binnengekomen, die om hem
heen hadden gehuppeld en hem hadden getreiterd, geknepen en uitgelachen. Hij
had nergens op gereageerd, en zijn droevige ogen hadden geen enkel teken van
leven gegeven. Ik weet niet veel van autisme, maar het lijkt me ook voor een
geestelijk normaal functionerend mens beslist niet al te plezierig om uren op
dezelfde plaats te staan, terwijl je wordt beschimpt door een kudde puisterige
pubers.
 

Maar nog erger hadden de
meisjes van de broodafdeling het voor hem gemaakt. Ze hadden hem al een aantal
keer gevraagd of hij misschien op iets stond te wachten, of dat hij wellicht een
bepaald soort afbakbroodje niet kon vinden. Hij had nergens op gereageerd. Het
enige wat hij had gedaan, was voor zich uit staren en af en toe eens naar een
vlieg grijpen. Het werkte de meisjes op hun zenuwen. Om half vier hadden ze
besloten dat ze de politie gingen bellen. De politie was gekomen, maar ook die
wist vanzelfsprekend niet wat ze met hem aanmoesten.  

‘Hij doet geen vlieg kwaad!’
had de politieman gezegd, maar dat was nu net het enige, waar ik niet zo zeker
van was.

‘We kunnen hem toch moeilijk
mee naar het bureau nemen,’ had weer een andere diender gezegd. De autist had alleen
maar zwijgend toegekeken hoe er over hem gesproken werd.

Uiteindelijk was de politie
vertrokken. De man stond nog steeds onbeweeglijk bij het brood. De meisjes hadden
toen maar besloten de huisarts, die om de hoek praktijk houdt, erbij te halen.

‘Ik kan niets voor hem doen,’
sprak deze, nadat hij was gearriveerd met zijn dokterstas in zijn hand.

‘Ik heb geen tas vol
wonderpillen.’

De huisarts en de meisjes hadden
nog wat om de autist heen gedrenteld, zonder te weten hoe ze deze moeilijk te
begrijpen jongeman nu eens in beweging konden krijgen. Straks zou de winkel
dichtgaan en stond hij er nog. Wat moesten ze met hem aan?

Toen, ineens, verbrak hij het
eeuwige stilzwijgen en zei toonloos:

‘Ik moet van mijn begeleider
naar de supermarkt, omdat dat een sociale activiteit is.’

Daarna zweeg hij weer en keek
strak voor zich uit.

Is het leven soms niet één en
al rottigheid? 

 

Reageer!