Laatst kwam bij mij de nogal pijnlijke vraag op – die mij met name op sombere momenten zo vaak kwelt – : waar weet ik eigenlijk iets van? En wat kan ik nu eigenlijk?
Het even pijnlijke als eerlijke antwoord luidt al jaren: ik kan betrekkelijk weinig. Ik zal een voorbeeld geven. Laatst startte mijn auto niet. Uiteraard deed ik de motorkap open, omdat ik heb gezien dat mensen dat meestal doen als hun motor hapert. Ik staarde, precies zoals het hoort, een tijdje de diepte in. Onder me lag een onbegrijpelijke, vreemd ruikende, vettige doolhof van kastjes, slangen en ventilator-achtige machinerietjes. Na een tijdje keek ik even onzeker om me heen, liet de klep dichtvallen, en probeerde weer te starten. Dat lukte vanzelfsprekend niet.
En dat is dan alleen nog maar de auto. Er zijn nog zoveel meer dingen die altijd een raadsel voor me zullen blijven. Computers bijvoorbeeld.
‘Een computer, die werkt gewoon met nullen en enen,’ zei eens iemand tegen me, alsof hij me de clou van een flauw raadseltje uitlegde. Nee, dat maakte een hoop duidelijk.
Er zijn eigenlijk ontmoedigend veel zaken, die ik totaal niet begrijp en kan volgen. Soms word ik daar moedeloos van. Wat zou ik bijvoorbeeld graag eens een keer een route begrijpen,die iemand me uitlegt. Maar dat kan ik niet, en dat heb ik nooit gekund ook. Ik heb zelfs een keer na het plassen bijna een vlucht gemist door mijn matig ontwikkelde oriëntatievermogen. Dat begon al in de sanitairhoek zelf, waar ik zoals gewoonlijk pas na een boeiende omweg via de damestoiletten, de bezemkast en een personeelskantine vol verbaasd kijkende, koffienippende schoonmakers de uitgang wist te vinden, waarna het verder ging met een lange en hopeloze zoektocht, waarbij ik na tijden rondlopen op een gegeven moment maar radeloos het luchthavengebouw uit stapte via een onooglijke deur, waar aan de buitenzijde met grote rode plakletters ‘STAFF ONLY’ op bleek te staan en die bij nader inzien alleen vanaf de binnenzijde te openen was, zodat ik er in de niet bepaald frisse buitenlucht tenslotte achterkwam, dat een zojuist gestarte Boeing 747 een nogal spectaculaire hoeveelheid hitte en herrie produceert, vooral als je er maar vijf meter achter staat.
Goed, laten we niet te somber zijn. Er is ook een heel groot voordeel aan het leven in een ondoorgrondelijke en onbegrijpelijke wereld. En dat is, dat je je over heel veel dingen eerlijk en oprecht, en heel erg, kunt verbazen. Zo las ik vandaag dat een aantal wetenschappers van het Oxford Centre for Animal Ethics (het wát?) in een blaadje heeft gepleit voor afschaffing van de term ‘huisdier’. Deze term zou namelijk beledigend zijn voor viervoeters, en ook ouderwets. We zouden ze liever ‘compagnon’ of ‘levensgezel’ moeten noemen. Als ik het goed heb begrepen, hebben we het hier over universitair geschoolde mensen, die op kosten van ons allemaal aan een wetenschappelijk instituut werkzaam zijn. En die houden zich dus kennelijk met het misschien niet zo heel erg urgente vraagstuk bezig, of een kat zich beledigd voelt als je hem ‘huisdier’ noemt. Nou ja, zo’n bericht is dus goed voor urenlange, oprechte verbazing, zoniet verbijstering in dit geval.
En voor je het weet heb je dan weer een column.