Vanmiddag deed ik het
huishouden. Stoffen, stofzuigen, de wc schrobben, dat werk. Vroeger deed ik dat
niet zelf, nee, toen had ik een werkster. Het begon zo mooi: juist toen
ik een aantal jaar geleden genoeg begon te krijgen van alle gestof en gezuig, hing
er beneden in de flat een briefje op het mededelingenbord: ‘ervarend werkster
biedt zich aan, referenties beschikbaar’. Op de één of andere manier boezemde
die spelfout ‘ervarend’ mij gelijk vertrouwen in. Het ging tenslotte om het
ouderwetse huishoudwerk, en niet om de taal. Het bleek een Surinaamse te
zijn. Ze gaf me de referentie op. Die was enthousiast over haar. We konden van
start.
Vanaf dag één bleek Letitia een
echte hulp in de huishouding. Niet alleen verscheen ze altijd op het beloofde
tijdstip, maar ze streek ook mijn overhemden, en menigmaal nam ze zelfs een
Surinaamse maaltijd voor me mee, als ze teveel gekookt had voor haar kinderen.
Bij thuiskomst trof ik dan bijvoorbeeld een exotisch gekruide bak eendenvlees aan
in de koelkast. Nooit was ze ziek, ze deed haar werk voorbeeldig, en op
vakantie gaan deed ze maar zelden. Het was ideaal. Zo gingen de jaren voorbij. Ook nadat ik was gaan
samenwonen met Aimée, poetste onze ideale werkster onverdroten
door. Aimée en ik hadden ons werk, en het huishouden was
geregeld.
Toen gebeurde er iets geks.
Op een mooie voorjaarsdag stond ik in een spaarpotje van Aimée te kijken. Het
stond in de kast: een soort bloempot, gevuld met twee-euro munten. Iedere keer
als Aimée een twee-euro munt in haar portemonnee had, gooide ze die in dat
potje. Het ding bevatte verbazingwekkend weinig geld. Veel te weinig.
‘Haal jij er soms wel eens
wat uit?’ vroeg ze me nadat ook zij het potje had onderworpen aan een korte inspectie.
‘Nooit,’ zei ik.
‘Ik ook niet,’ zei Aimée.
Er viel een stilte.
Beiden dachten we na over de raadselachtige verdwijning van het geld.
‘Dan zou je zeggen…,’ opperde
Aimée. Ik voelde hem aankomen.
‘Onmogelijk,’ antwoordde ik. ‘Dat
zou ze nooit doen.’
Iemand anders konden we
echter niet verzinnen.
Op de woensdag dat de
werkster altijd kwam, telde ik ’s ochtends vroeg maar eens de munten. Er zaten
26 munten van twee euro in het potje. Later die dag kwam ik thuis. De werkster
was geweest. Vlug en met bonkend hart telde ik de munten: 23 stuks. Ik moest
het nu toch wel onder ogen zien. Toch wilde ik het nog zekerder dan 100% weten,
en ook de volgende week telde ik de pot. Deze keer bleken er vier munten van
twee euro te zijn verdwenen.
Nu kon ik er niet meer
onderuit, hoe vervelend ik het ook vond. Snel belde ik mijn werkster, die nog
in de buurt in een ander huis bezig was, en vroeg of ze langs kon komen. Dat
kon ze. Op tafel zette ik het potje met munten neer. Tien minuten later was ze er.
Ze zag het potje staan maar gaf geen krimp.
‘Je ziet daar een potje met geld
staan,’ zei ik. ‘Ken je dat potje?’
‘Eh, ja, dat staat altijd daar,’
antwoordde ze, naar de kast wijzend.
‘Inderdaad,’ knikte ik. ‘En
nu is het gekke, dat er vanochtend meer geld in zat toen ik wegging, dan toen
ik thuiskwam. Heb jij er soms iets uitgehaald?’ Ze leek te schrikken.
‘Eh, ik had vanochtend even
wat geld nodig voor een boodschap. Maar ik geef het je weer terug hoor,’ zei
ze, zenuwachtig lachend. Ik keek haar aan.
‘Voor zover ik kan nagaan, haal
jij al weken lang geld uit dit potje, dus volgens mij sta je te kletsen.’
Ze keek me even aan, boog
daarna haar hoofd, begon zachtjes te huilen, en zei verder niets meer.
‘Waar is dat goed voor?’
vroeg ik na een tijdje. ‘Betaal ik je niet genoeg?’
‘Jawel, jawel,’ zei ze,
zachtjes snikkend.
‘Maar waarom besteel je me
dan?’ Ze keek me even vluchtig aan met betraande ogen.
‘Ik betaal je terug.’
‘Daar gaat het me niet om,’ antwoordde
ik. ‘Ik wil weten waarom je oneerlijk tegen mij bent.’
‘Ik wil er niet over praten,’
besloot ze na een aarzeling vanachter haar zakdoek, en snoot haar neus.
‘Hoe lang doe je dit al?’
‘Een paar maanden.’
Ik heb er lang over
getwijfeld, maar uiteindelijk heb ik haar met pijn in mijn hart toch
maar weg gestuurd. Ik moest tenslotte mijn werkster, die de huissleutel had
en alle tijd om rond te neuzen, wel kunnen vertrouwen. Dat vertrouwen was weg.
Ze wilde me, ook later, niet vertellen waarom ze me bedroog.
Nu had ik een nieuw probleem.
Ik belde een vriend en vroeg hem of zijn werkster hem beviel. Het antwoord was gelukkig
ja en al snel had ik haar telefoonnummer. Het bleek een Russische deze keer.
‘Ieke kome kaike,’ sprak ze.
Ze inventariseerde de boel,
we spraken een tarief af en bepaalden een startdatum. Ik was blij: ik had een
nieuwe werkster. Echter, op de startdatum: geen Russische. Maar eens bellen.
‘Ieke hebbe auto-ongeluk
gehad,’ zei ze.
Gelukkig bleek er vooral sprake
van blikschade en over twee weken zou ze – zij het verlaat – beginnen. Na twee
weken: geen Russische. Ik weer bellen.
‘Ieke moet in winkel werken
vandaag, maar ieke kom eerste week na Paas.’ Na de Pasen: weer geen werkster.
Ik maar weer eens bellen.
‘Ieke kome misschien volgend
waik,’ kraakte ze door de lijn.
‘Nee,’ zei ik. ‘Laat maar.’
En zodoende kwam ik onlangs tot
een moedig, en onvermijdelijk besluit: ik heb mezelf weer tot werkster
gebombardeerd. Mijn eigen geld kan ik niet pikken, en als ik mijn afspraken aan
mezelf afzeg, gaat het altijd in overleg.
‘Ieke ga in plaats van
vandaag, volgend waik wel stofzuigen,’ zeg ik dan bijvoorbeeld tegen mezelf.
En ik protesteer nooit.