Na onze fietsreis gingen we onze auto weer ophalen. Hij had een half jaar bij mijn moeder op de parkeerplaats gestaan. Uiteraard was hij bedekt met bladeren en vogelstront, maar dat was niet verbazend na zes maanden. Wat ook niet verbaasde, was het feit dat hij niet meer wilde starten.
Ik sloot de startkabels aan van mijn auto naar mijn moeders auto, startte haar auto en probeerde de mijne te starten. Geen resultaat. Weliswaar draaide mijn startmotor nu, maar de motor sloeg niet aan.
Ik deed de motorkap van mijn auto open en staarde naar beneden. Alsof ik daar ook maar iets wijzer van zou worden. Ik heb werkelijk geen benul van de wonderlijke processen die zich daar afspelen. Maar het hoort er nu eenmaal bij als je autopech hebt geloof ik.
De wegenwacht maar eens gebeld.
"Goedemorgen, ANWB wegenwacht."
"Goedemorgen met Gijs. Mijn auto start niet meer."
"Bent u thuis of onderweg?"
"Ik sta bij mijn moeder voor de deur."
"Heeft u een lidmaatschapspas bij u?"
"Helaas, die ligt thuis."
"Een rijbewijs?"
"Ligt ook thuis."
"Andere legitimatie?"
"Nee."
"Dan kunnen wij u niet helpen."
"Mevrouw, luistert u eens. Ik ben nu 15 jaar lid van de wegenwacht. Ik betaal al 15 jaar braaf mijn premie, en heb nog nimmer een beroep gedaan op uw hulp. Nu, na 15 jaar heb ik een startprobleempje, en nu komt u niet. Ik vind dat niet kunnen."
"Ik kan kijken of ik toch iemand kan sturen, maar ik kan niets garanderen," antwoordde de vrouw nukkig.
"Nou, ik ga er vanuit dat er iemand komt, dus ik blijf wachten," zei ik.
"Ja, ik kan wel iemand sturen, maar dan nog hoeft hij u niet te helpen."
"Dat zien we dan wel weer."
Vijftien minuten later : de man van de wegenwacht voor de deur, in een gele bus.
"Goedendag," sprak hij, "ik begrijp dat u zich op geen enkele wijze kunt legitimeren?"
"Dat klopt."
"Formeel hoef ik u dan niet te helpen."
"Dan hebben we twee mogelijkheden," zei ik. "Ik ga nu naar huis in een andere auto, haal mijn wegenwachtpas en kom hier terug. U wacht dan hier of gaat weg en komt ten tweede male hierheen. We kunnen het ook eenvoudig oplossen, en gewoon aan het werk gaan."
"Laten we dat maar doen."
"Lijkt me ook."
De man mat mijn accu door en constateerde dat die leeg was. Dat had ik hem uiteraard allang verteld, maar kennelijk wil hij mijn mededeling gestaafd zien door een meetapparaat.
"Dan zit er wellicht lucht in de brandstofleidingen door het lange stilstaan," opperde hij vervolgens.
Ik knikte, alsof dat inderdaad volkomen logisch was. Lang stilstaan = lucht in brandstofleidingen, tuurlijk, dat snapt zelfs een kind.
Maar dit bleek het inderdaad te zijn en even later liep mijn oude karretje weer als een zonnetje.
"Kan ik daar verderop rechtsaf om hier weg te komen?" vroeg de man terwijl hij aanstalten maakte om weg te rijden. Hij wees op een klein straatje in de verte, in de doolhof van straatjes waar mijn moeder woont.
"Nee," zei ik. "Dat lijkt wel een weggetje, maar dat is het niet, dat is een geblokkeerd weggetje. Er ligt een versperring voor auto’s bij de ingang." Ik legde hem uit hoe hij wel weg kan komen.
Een half uur later vertrokken we bij mijn moeder. Halverwege de straat, bij het geblokkeerde weggetje, blijkt de wegenwachtman met zijn bus te staan. Hij heeft kennelijk mijn adviezen genegeerd, en is het weggetje ingereden. Daarbij is hij met zijn bus blijven hangen op een hoge trottoir-band, die ze als afzetting gebruiken. Zijn bus wankelt hulpeloos in de lucht. Voorwielen net van de grond af, onderkant wiebelend op de trottoir-band, achterwielen die de grond net nog raken.
"Ik dacht dat het wel zou kunnen,’ zegt hij een beetje stotterend en duidelijk zwaar gegeneerd, nadat ik ben gestopt en naar hem toe ben gelopen. "Ik sta nu te wachten op een collega die me gaat helpen."
Het is warm buiten. De zon brandt aan de blauwe hemel, er staat weinig wind. Een paar blaadjes ritselen aan de bomen. De man zweet erg en voelt zich duidelijk heel onprettig door zijn domme actie. Ik besluit indachtig alle vriendelijkheid die we het afgelopen jaar in de USA ervaren hebben, zelf ook eens de Amerikaanse vriendelijkheid toe te passen.
"Drink je cola?" vraag ik hem.
Hij kijkt me een paar seconden verbaasd aan en zegt: "Ehm, ja."
Ik loop terug naar mijn moeders huis, pak een ijskoud blikje cola uit de koelkast, en loop terug naar de gestrandde en hulpeloze bus.
Even overweeg ik het colaatje uitdagend voor zijn neus te houden en te vragen om zijn legitimatie. Dan zet ik deze gedachte van me af en geef de man het rode blikje. Even later rijden we weg.
De man staat ons nog lang bedremmeld na te kijken.